En het is van jou…

“Waarom heb je me niet gebeld?” In een drukke winkelstraat sta ik voor de Hema. Ik staar ongelovig in een knalblauwe kinderwagen. Links en rechts van me passeren mensen. Stadjesmensen, mensen met haast, moeders met dochters, vaders met dochters, vaders met zoons… “Tja, weet ik veel”, zegt Angela. “Wilde je het weten dan?” Ik kijk op. Is ze gek geworden? “Een baby. Dacht je serieus dat ik niet wilde weten dat ik een baby heb gemaakt? Wat…” De baby trekt een pruillip. “Ik…” Hij zet ’t op een janken. Dikke ronde tranen rollen over het gezicht dat potverdorie op mijn babygezicht lijkt. Maar dít heeft hij niet van mij. Ik jank niet! Ik snuif m’n neus hardop. Babygehuil. Angela haalt de baby uit de wagen. Hij klinkt nu als een krolse kat. Jezus, kan-ie uit? Een draaiorgel komt steeds dichterbij. Godzijdank. Het gejank wordt langzaam overstemd. Ik geloof dat ik nog nooit zo blij was met een draaiorgel. “Stil maar Jobje, mama is bij je” hoor ik tussen Leef nu het kan van Jan Smit door. Ze wiebelt het krijsende kind heen en weer. Ik voel me misselijk worden. Jobje?! Wat is dat nou weer voor naam? De wenkbrauwen van Jobje zijn rood geworden. Dat heeft-ie wel van mij. Ik krijg direct vlekken als ik stress heb. In m’n wenkbrauwen en in m’n nek. Ik durf me niet om te draaien naar de etalageruit om te kijken of dat nu ook het geval is. “Jezus Ang!” zeg ik om m’n gedachten de mond te snoeren. Ik bekijk de baby nog eens goed. Onder zijn mutsje (ook knalblauw) komen donkere haartjes uit. En ik herinner me m’n moeders woorden: ‘Toen jij werd geboren dacht ik dat je een aapje was, zoveel haar had je.’ Jobjes bosje waait een beetje met de wind mee. Ik heb geen idee hoe oud een baby van dit formaat is. Maar als ik snel terugreken moet het ongeveer drie maanden zijn. Het draaiorgel, dat is overgegaan op Last Christmas rolt weer verder. De laatste keer dat ik Angela zag was vlak voor kerst, alweer een jaar geleden. “Jezus Ang!” ik zeg het nog een keer. Ik kan het gewoon niet geloven. Als het draaiorgel buiten onze gehoorafstand is gereden, is de baby weer stil. “Heb je nog even?” vraagt Angela. “Dan kunnen even we praten.” Praten. En dan? Ze heeft godsomme een kind van mij op de wereld gezet zonder dat met mij te overleggen. Wat zeg je in hemelsnaam tegen een vrouw die zoiets doet? Ik heb ook geen idee meer waar ik naar onderweg was. Ik kan niet meer nadenken. “En hij dan?” ik wijs naar de baby. “Wat en hij dan? Kom, dan lopen we naar De Drie.” Ze stopt de baby terug in de kinderwagen en loopt resoluut voor me uit. Hij gaat blijkbaar mee.
Ik kijk om me heen. Mensen lachen, mensen lopen, mensen duwen me bijna omver. De geur van Hema-worsten hangt in de lucht. Niets lijkt erop dat ik droom. Of dat dit een grap is. Ik knijp met m’n ogen en zie de blauwe vlek met de vrouw die ik dacht te kennen ver voor me uit lopen. Ik wil weg. Maar een stem in m’n hoofd fluistert: “Het is niet alleen haar kind. Het is ook van jou.” Ik probeer ’m weg te wimpelen. Zij heeft me hier buiten gelaten, laat dan ook maar. Zoek het uit met dat kind van je. Maar ik weet dat mijn hoofd gelijk heeft. Die baby lijkt godverdomme op me. Ik moet weten hoe dit zit. Dus loop ik achter haar en die afzichtelijke kinderwagen aan. Naar nota bene de bar waar ik haar leerde kennen.

Enige zomer

De zomer staat hier frank en vrij voor mij
te wachten op de plannen die nog komen.
Niet wetend welke weg ik neem naar Rome.
De vlinders die de tijd voor altijd zijn.

Op dagen die gedachten snoeren, schrijf
ik stiekeme gedichten van de bomen
die ritselend vertellen over dromen
waarin ik nooit alleen met mij verblijf.

Op de fictieve onbekende na
de zomer, die zelfs zonder mij vervloog.
De desillusie die ik gadesla.

Geen lijstjes afgevinkt in epiloog.
Geen tango in het dagboek in de la.
Geen ene Don Juan die mij bedroog.

Jasper en de wolf

“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” het is de enige vraag die me wordt gesteld. Wel vaak. Op verschillende manieren maar altijd met dezelfde boodschap. Ik antwoord niet, laat mijn schouders nog verder zakken en probeer oogcontact te maken met de volgende voorbijganger.
Zes jaar geleden vond Wolf me. Ik lag onder een deken van bladeren op een doos in het donkerste hoekje van het stadspark. Hij snuffelde aan de bladeren, ik vond het eng. Een jaar daarvoor, toen het nog kouder was, was er ook een hond naar me toe gekomen. Bijna net zo groot als Wolf, maar zonder zijn mooie, lange, grijs-blonde haren. Dat beest beet me in m’n enkel. Ik moest er vijf weken van herstellen. Maar dat mocht natuurlijk niet in het ziekenhuis. Dus liep ik mank over straat. Doet niet veel goeds voor je reputatie kan ik je vertellen. Dus je kunt je voorstellen dat ik lag te rillen toen ik hoorde hoe Wolfs neus de bladeren opzij woelde. Hij snuffelde aan me toen hij me vond en ging daarna direct tegen me aanliggen. Mijn getril was over. Ik kon me niet meer herinneren wanneer ik voor het laatst zoveel warmte van een levend wezen had gevoeld.
“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” het is de vraag die mensen stellen die het antwoord niet willen weten. Mensen die willen dat ik niet besta. Ze vinden Wolf zielig en mij een domme dierenbeul. Ik weet niet of anderen het kennen. Dat mensen naar je kijken maar je niet zien. Ze zien je kleren, proberen je te ruiken of juist niet, ze kijken naar je haar, de kleur van je huid, maar wat er achter die huid zit, dat zien ze niet. En dat willen ze ook niet zien. Nooit heeft iemand mij gevraagd: “Wat is er gebeurd?”
Alleen kinderen zien ons. Dat komt door Wolf. Gister liepen we samen over de grote markt. Wolf voorop. Een jongetje van ongeveer vijf jaar liep ons tegemoet. Toen hij ons passeerde vroeg hij zijn moeder, die ons niet aankeek: “Mam, waarom heeft die meneer een halsband om en niet de hond?” “Nou Daan, niet van die rare vragen stellen. Natuurlijk heeft die man geen halsband om.” antwoordde ze terwijl ze ons met ingehouden adem voorbij liep. Het jongetje liep niet mee. “Hoi hondje!” Hij hield Wolf, die bijna net zo groot is als hij zelf, staande. Aaide zijn zachte vacht. “Hoe heet hij?” “Wolf”, antwoordde ik. Ik keek hoe het jongetje Wolf bewonderde. Hij voelde in z’n hals. Al snel werd me duidelijk waarom. “Hij heeft echt geen halsband om. Hoe blijft hij dan bij jou?” Dat heb ik me ook weleens afgevraagd. “Wolf wil denk ik gewoon bij mij zijn. Hij gaat nooit ergens heen zonder mij.” Het jongetje staart me aan. Bijna net zo uitvoerig als hij Wolf aankeek, keek hij mij nu aan. Ik wiebelde van m’n ene been op het andere. “Waarom heb jij een halsband om?” Hij wees naar het touw met het bordje om m’n nek. “Daarop staat dat ik geld wil voor Wolf en mij.” Het jongetje snapte het niet. “Waarvoor dan? Ben je aan het sparen?” Ik keek hem aan. Wilde hem iets anders vertellen. Maar toen mijn ouders scheidden heb ik mezelf beloofd nooit tegen een kind te liegen. “Voor eten.” “Daan, Daantje, kom je nou?” Het jongetje keek op. Zijn moeder stond verderop naar hem te roepen. Hij keek weer naar ons. “Gelukkig heb je wel een hond. En Wolf heeft een mens,” grinnikt hij erachteraan. “Doei!” Hij draaide zich om en rende naar z’n moeder.
“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” Ik ben niet arm. Ik heb een hond.