Groen

Hoeveel verschillende kleuren groen er zijn proef je alleen als je er middenin zit. De jungle heeft me verslonden. Gif, mos, loof en mijn rode regenjas die er fel tegen afsteekt. Ik wil één van de bloemen zijn. Voorzichtig raakt mijn vinger een blad dat me van dichtbij bekijkt. Het deinst terug zodra ik ’t aanraak. Ik ben geen bloem.
Rangi bezingt de bomen. Maar ik versta de melodie slechts eenzijdig. Ik probeer klanken door het geritsel heen te horen. De geluiden van de insecten en vogels herken ik. Rangi hoort iets anders. Het woud bestaat voor hem uit vrienden.
We lopen nu al twee uur. De vakjes licht die door de bomen schenen worden langzaam ingekleurd door de nacht. Terwijl de nacht zoals ik ‘m ken als een dikke deken geluiden smoort, wordt het hier in deze jungle steeds drukker. Insecten komen tevoorschijn. Er bromt één hard bij m’n oor. Aan de lage toon kan ik horen dat het een grote is. Hoe kan het dat alles in een regenwoud zo groot wordt?
Ineens staan we voor hem. De koning van de jungle: Tāne Mahuta. Deze 51 meter hoge heer torent boven de andere bomen uit. Ik leg mijn hoofd in m’n nek, volg de stam naar boven. De wirwar van armen probeert me van de top weg te leiden. Onderweg sla ik drie keer linksaf en kom via een omweg weer terug bij de stam. Verder naar boven. Hoeveel nesten bevinden zich in deze jungleflat? Ik wil opstijgen en er één bewonen. Desnoods klimmen. Maar de takken van Tāne Mahuta beginnen niet voor niets op twintig keer mijn hoogte. De boom voedt enkel zijn kinderen.
Ik neem een foto en schrik zelf van het felle licht. Op het schermpje van mijn camera ziet de koning er nog niet uit als een prins. Ik stop mijn camera weg en loop snel achter Rangi aan. Uit de jungle mag je niks meenemen.