Groen

Hoeveel verschillende kleuren groen er zijn proef je alleen als je er middenin zit. De jungle heeft me verslonden. Gif, mos, loof en mijn rode regenjas die er fel tegen afsteekt. Ik wil één van de bloemen zijn. Voorzichtig raakt mijn vinger een blad dat me van dichtbij bekijkt. Het deinst terug zodra ik ’t aanraak. Ik ben geen bloem.
Rangi bezingt de bomen. Maar ik versta de melodie slechts eenzijdig. Ik probeer klanken door het geritsel heen te horen. De geluiden van de insecten en vogels herken ik. Rangi hoort iets anders. Het woud bestaat voor hem uit vrienden.
We lopen nu al twee uur. De vakjes licht die door de bomen schenen worden langzaam ingekleurd door de nacht. Terwijl de nacht zoals ik ‘m ken als een dikke deken geluiden smoort, wordt het hier in deze jungle steeds drukker. Insecten komen tevoorschijn. Er bromt één hard bij m’n oor. Aan de lage toon kan ik horen dat het een grote is. Hoe kan het dat alles in een regenwoud zo groot wordt?
Ineens staan we voor hem. De koning van de jungle: Tāne Mahuta. Deze 51 meter hoge heer torent boven de andere bomen uit. Ik leg mijn hoofd in m’n nek, volg de stam naar boven. De wirwar van armen probeert me van de top weg te leiden. Onderweg sla ik drie keer linksaf en kom via een omweg weer terug bij de stam. Verder naar boven. Hoeveel nesten bevinden zich in deze jungleflat? Ik wil opstijgen en er één bewonen. Desnoods klimmen. Maar de takken van Tāne Mahuta beginnen niet voor niets op twintig keer mijn hoogte. De boom voedt enkel zijn kinderen.
Ik neem een foto en schrik zelf van het felle licht. Op het schermpje van mijn camera ziet de koning er nog niet uit als een prins. Ik stop mijn camera weg en loop snel achter Rangi aan. Uit de jungle mag je niks meenemen.

Advertenties

Eendagsvlieg

“Dit succes is ongekend Hanna, we moeten hier meer mee doen. Veel meer! Stuur me voor het nieuwe jaar een paar hoofdstukken van je nieuwe roman. Je hebt al wel een idee toch? Dan kunnen we het derde kwartaal van 2015 nog een nieuw boek uitgeven. Dit is je kans om écht door te breken. Om meer te zijn dan een eendagsvlieg.” Eendagsvlieg. Een.dags.vlieg. Het woord galmt na in Hanna’s hoofd.
Eendagsvlieg: Haften of eendagsvliegen (orde Ephemeroptera) zijn ranke insecten met een teer lichaam, twee paar vleugels, grote ogen, korte borstelachtige antennes en lange staartdraden. Dat stond er op Wikipedia. Hanna loopt naar haar slaapkamer en gaat voor haar passpiegel staan. “Hoe zouden ze mij omschrijven?” Ze draait zich om zodat ze en profil naar zichzelf kan kijken. Ze neemt diep adem en drukt haar buik zo ver mogelijk naar buiten. Ze blijft een plank. Geen billen, geen borsten en ook geen buik. Is dit rank en teer? Ze probeert nog wat houdingen om haar spiegelbeeld zo dik mogelijk te laten lijken, maar het mag niet baten. Nu houdt ze haar armen in twee bogen achter haar rug. Niet omdat ze het geaccepteerd heeft, maar omdat ze het gewoon even wil proberen. Haar borst komt vooruit en de puntjes van haar vingers drukken zachtjes tegen haar onderrug. Nu lijken haar armen net twee vleugels. Ze kijkt zichzelf met grote ogen aan. Hoe langer ze kijkt hoe beter de gelijkenis wordt. Dian, haar uitgeefster, heeft gelijk. Ze is een eendagsvlieg. Een eendagsvlieg en niets meer, denkt Hanna.
Snel gaat ze terug naar haar computer. De enige manier om onder dit afschuwelijke lot uit te komen, is weten wat een eendagsvlieg is. Wát is zijn gedrag? Waar bevindt-ie zich? De vragen vloeien als vanzelf uit elkaar voort. Onvolwassen eendagsvliegen (Nimfen) leven in water. Hanna leest het hardop en het klinkt als een antwoord. Niet meer douchen. Niet meer douchen tot het boek af is. Dát is het. Niet meer douchen en heel veel eten. Zodat ze nooit meer rank en teer hoeft te zijn. En dan valt haar oog op die ene zin. Eendagsvliegen hebben geen mond. Die hebben ze niet nodig omdat ze maar enkele uren tot een paar dagen leven. Hanna rent terug naar de spiegel. Ze opent haar mond en sluit ’m weer. Ze opent ’m nog een keer, heel wijd nu. Ze telt haar tanden en kiezen. Ze heeft tanden en kiezen. Twaalf tanden, zestien kiezen. Geen verstandskiezen, die heeft ze vorig jaar laten trekken. Twee lippen. Ze tuit ze. Nu lijkt ze eigenlijk meer op een mug. Een prikmug met zo’n mondje. Een mondje dús geen eendagsvlieg. Wat een opluchting! Hanna rent terug naar haar computer. Ze opent een word-document. GEEN EENDAGSVLIEG schrijft ze op. Voor de zekerheid zal ze voorlopig ook niet meer douchen. Aan haar ligt het niet meer. Ze kan eindelijk verder.

En het is van jou…

“Waarom heb je me niet gebeld?” In een drukke winkelstraat sta ik voor de Hema. Ik staar ongelovig in een knalblauwe kinderwagen. Links en rechts van me passeren mensen. Stadjesmensen, mensen met haast, moeders met dochters, vaders met dochters, vaders met zoons… “Tja, weet ik veel”, zegt Angela. “Wilde je het weten dan?” Ik kijk op. Is ze gek geworden? “Een baby. Dacht je serieus dat ik niet wilde weten dat ik een baby heb gemaakt? Wat…” De baby trekt een pruillip. “Ik…” Hij zet ’t op een janken. Dikke ronde tranen rollen over het gezicht dat potverdorie op mijn babygezicht lijkt. Maar dít heeft hij niet van mij. Ik jank niet! Ik snuif m’n neus hardop. Babygehuil. Angela haalt de baby uit de wagen. Hij klinkt nu als een krolse kat. Jezus, kan-ie uit? Een draaiorgel komt steeds dichterbij. Godzijdank. Het gejank wordt langzaam overstemd. Ik geloof dat ik nog nooit zo blij was met een draaiorgel. “Stil maar Jobje, mama is bij je” hoor ik tussen Leef nu het kan van Jan Smit door. Ze wiebelt het krijsende kind heen en weer. Ik voel me misselijk worden. Jobje?! Wat is dat nou weer voor naam? De wenkbrauwen van Jobje zijn rood geworden. Dat heeft-ie wel van mij. Ik krijg direct vlekken als ik stress heb. In m’n wenkbrauwen en in m’n nek. Ik durf me niet om te draaien naar de etalageruit om te kijken of dat nu ook het geval is. “Jezus Ang!” zeg ik om m’n gedachten de mond te snoeren. Ik bekijk de baby nog eens goed. Onder zijn mutsje (ook knalblauw) komen donkere haartjes uit. En ik herinner me m’n moeders woorden: ‘Toen jij werd geboren dacht ik dat je een aapje was, zoveel haar had je.’ Jobjes bosje waait een beetje met de wind mee. Ik heb geen idee hoe oud een baby van dit formaat is. Maar als ik snel terugreken moet het ongeveer drie maanden zijn. Het draaiorgel, dat is overgegaan op Last Christmas rolt weer verder. De laatste keer dat ik Angela zag was vlak voor kerst, alweer een jaar geleden. “Jezus Ang!” ik zeg het nog een keer. Ik kan het gewoon niet geloven. Als het draaiorgel buiten onze gehoorafstand is gereden, is de baby weer stil. “Heb je nog even?” vraagt Angela. “Dan kunnen even we praten.” Praten. En dan? Ze heeft godsomme een kind van mij op de wereld gezet zonder dat met mij te overleggen. Wat zeg je in hemelsnaam tegen een vrouw die zoiets doet? Ik heb ook geen idee meer waar ik naar onderweg was. Ik kan niet meer nadenken. “En hij dan?” ik wijs naar de baby. “Wat en hij dan? Kom, dan lopen we naar De Drie.” Ze stopt de baby terug in de kinderwagen en loopt resoluut voor me uit. Hij gaat blijkbaar mee.
Ik kijk om me heen. Mensen lachen, mensen lopen, mensen duwen me bijna omver. De geur van Hema-worsten hangt in de lucht. Niets lijkt erop dat ik droom. Of dat dit een grap is. Ik knijp met m’n ogen en zie de blauwe vlek met de vrouw die ik dacht te kennen ver voor me uit lopen. Ik wil weg. Maar een stem in m’n hoofd fluistert: “Het is niet alleen haar kind. Het is ook van jou.” Ik probeer ’m weg te wimpelen. Zij heeft me hier buiten gelaten, laat dan ook maar. Zoek het uit met dat kind van je. Maar ik weet dat mijn hoofd gelijk heeft. Die baby lijkt godverdomme op me. Ik moet weten hoe dit zit. Dus loop ik achter haar en die afzichtelijke kinderwagen aan. Naar nota bene de bar waar ik haar leerde kennen.

Enige zomer

De zomer staat hier frank en vrij voor mij
te wachten op de plannen die nog komen.
Niet wetend welke weg ik neem naar Rome.
De vlinders die de tijd voor altijd zijn.

Op dagen die gedachten snoeren, schrijf
ik stiekeme gedichten van de bomen
die ritselend vertellen over dromen
waarin ik nooit alleen met mij verblijf.

Op de fictieve onbekende na
de zomer, die zelfs zonder mij vervloog.
De desillusie die ik gadesla.

Geen lijstjes afgevinkt in epiloog.
Geen tango in het dagboek in de la.
Geen ene Don Juan die mij bedroog.

Jasper en de wolf

“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” het is de enige vraag die me wordt gesteld. Wel vaak. Op verschillende manieren maar altijd met dezelfde boodschap. Ik antwoord niet, laat mijn schouders nog verder zakken en probeer oogcontact te maken met de volgende voorbijganger.
Zes jaar geleden vond Wolf me. Ik lag onder een deken van bladeren op een doos in het donkerste hoekje van het stadspark. Hij snuffelde aan de bladeren, ik vond het eng. Een jaar daarvoor, toen het nog kouder was, was er ook een hond naar me toe gekomen. Bijna net zo groot als Wolf, maar zonder zijn mooie, lange, grijs-blonde haren. Dat beest beet me in m’n enkel. Ik moest er vijf weken van herstellen. Maar dat mocht natuurlijk niet in het ziekenhuis. Dus liep ik mank over straat. Doet niet veel goeds voor je reputatie kan ik je vertellen. Dus je kunt je voorstellen dat ik lag te rillen toen ik hoorde hoe Wolfs neus de bladeren opzij woelde. Hij snuffelde aan me toen hij me vond en ging daarna direct tegen me aanliggen. Mijn getril was over. Ik kon me niet meer herinneren wanneer ik voor het laatst zoveel warmte van een levend wezen had gevoeld.
“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” het is de vraag die mensen stellen die het antwoord niet willen weten. Mensen die willen dat ik niet besta. Ze vinden Wolf zielig en mij een domme dierenbeul. Ik weet niet of anderen het kennen. Dat mensen naar je kijken maar je niet zien. Ze zien je kleren, proberen je te ruiken of juist niet, ze kijken naar je haar, de kleur van je huid, maar wat er achter die huid zit, dat zien ze niet. En dat willen ze ook niet zien. Nooit heeft iemand mij gevraagd: “Wat is er gebeurd?”
Alleen kinderen zien ons. Dat komt door Wolf. Gister liepen we samen over de grote markt. Wolf voorop. Een jongetje van ongeveer vijf jaar liep ons tegemoet. Toen hij ons passeerde vroeg hij zijn moeder, die ons niet aankeek: “Mam, waarom heeft die meneer een halsband om en niet de hond?” “Nou Daan, niet van die rare vragen stellen. Natuurlijk heeft die man geen halsband om.” antwoordde ze terwijl ze ons met ingehouden adem voorbij liep. Het jongetje liep niet mee. “Hoi hondje!” Hij hield Wolf, die bijna net zo groot is als hij zelf, staande. Aaide zijn zachte vacht. “Hoe heet hij?” “Wolf”, antwoordde ik. Ik keek hoe het jongetje Wolf bewonderde. Hij voelde in z’n hals. Al snel werd me duidelijk waarom. “Hij heeft echt geen halsband om. Hoe blijft hij dan bij jou?” Dat heb ik me ook weleens afgevraagd. “Wolf wil denk ik gewoon bij mij zijn. Hij gaat nooit ergens heen zonder mij.” Het jongetje staart me aan. Bijna net zo uitvoerig als hij Wolf aankeek, keek hij mij nu aan. Ik wiebelde van m’n ene been op het andere. “Waarom heb jij een halsband om?” Hij wees naar het touw met het bordje om m’n nek. “Daarop staat dat ik geld wil voor Wolf en mij.” Het jongetje snapte het niet. “Waarvoor dan? Ben je aan het sparen?” Ik keek hem aan. Wilde hem iets anders vertellen. Maar toen mijn ouders scheidden heb ik mezelf beloofd nooit tegen een kind te liegen. “Voor eten.” “Daan, Daantje, kom je nou?” Het jongetje keek op. Zijn moeder stond verderop naar hem te roepen. Hij keek weer naar ons. “Gelukkig heb je wel een hond. En Wolf heeft een mens,” grinnikt hij erachteraan. “Doei!” Hij draaide zich om en rende naar z’n moeder.
“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” Ik ben niet arm. Ik heb een hond.

Natuurgeweld – fragment

Het is pikkedonker op het dek. Ik word wakker van het tropische geraas dat zich buiten deze boot op de zee in Indonesië afspeelt. Of van het gebraak dat ik op zo’n twee meter afstand naast me hoor. Aan de andere kant naast me ligt Dani. Godzijdank. De golven duwen ons de lucht in. En als we op het hoogste puntje zijn, worden we met een noodvaart op het water gesmeten. Ik steun op m’n ellenbogen en kijk wat beter om me heen. Hoewel ik inmiddels gewend ben aan het donker zie ik niet veel door het gezwaai en gewiebel. Ik kan me niet op één punt focussen. Toch probeer ik te tellen. Zijn we er alle veertien nog? Het lukt me niet goed. Ik laat het voor wat het is. Kan er nu toch niets aan doen. Ik zie twee gedaantes bewegen. Ze kruipen moeizaam tegen de bewegingen van de boot op. Op weg naar een plek waar ze zonder een ander te storen over de reling kunnen kotsen.
Langzaam maar zeker word ook ik steeds misselijker. Ik kijk over het hekje van het dek. Een minuscuul hekje in vergelijking met het enorme natuurgeweld dat zich erachter afspeelt. De zee probeert ons in te slikken. Met z’n grote, grove klauwen probeert-ie ons te pakken en in z’n gigantische, donkerblauwe mond te stoppen. Druppels springen over de rand. Als waarschuwing voor wat komen gaat? Ze spatten in m’n gezicht. Zout. Dani, die aan de buitenkant ligt, wordt echt nat. En wakker. “Wat is er?” vraagt hij me. Hij ziet de angst van m’n gezicht af druipen. Ik wijs naar het hekje. En vooral naar wat daar achter gebeurt. We horen gekraak en nu kijkt hij ook bang. Hij pakt m’n hand en knijpt erin. Niet een zacht bemoedigend kneepje, maar een die hoopt dat ik zelfverzekerd terug knijp. Dat gaat alleen niet.
Ik zie de sterren, het water, de sterren, het water, de sterren… Snel knijp ik m’n ogen dicht. Ik wens dat ik hier niet ben. Wij hier niet zijn. De boot rilt als een rietje. Het lijkt alsof-ie de angst van alle passagiers in zich op zuigt en de enige is die eraan toe durft te geven. Niemand probeert boven het geruis en geklots uit te schreeuwen. Hoe lang houdt deze boot het uit? Hoe lang houden wij het nog uit?

Pompoensoep

Het aanrecht komt iets dichterbij door
de grote kruk waarop ik zit. Mijn moeder kookt
pompoensoep, zachtjes neuriet ze warme herfst
door de oranje keuken. Kachel opgestookt.

De zoete geur verlaat de keuken maar
ik wil dat dit voor altijd blijft bestaan.
Ik – tussen mijn broers – op ’t bankje aan tafel
Besef dat het niet lang meer zo zal gaan.

Een ui, een peen, een snufje zout, pompoen.
De schil hoeft er niet af, de kook maakt ’m zacht.
Twintig minuten roeren dan even stampen.
’t Oranje feest is klaar terwijl je wacht.

Vandaag roer ik de pan met dikke soep.
Gevlekt recept van moeder bij de hand.
Mijn keuken geurt nu zachte melodietjes
en ik ben in m’n eigen herfst beland.

Meer dan twintig kleine blokjes

In het donker in de keukenla ligt een cadeau.
Trek ik ’m open, verschijnt het in alarmrood pakpapier
dat afsteekt tegen het oogverblindende keukenwit
Zo’n pakje laat je niet liggen,
ook al deed ik niks om voor te worden beloond.

Mijn vinger glijdt over het papier, zzzzier.
Knisperend krakend als ik het openscheur.
Meer dan twintig blote, bruine blokjes aan mij tentoongesteld.
Een doffe plof als ik er twee afbreek.

De zoete geur vult mijn neus met herinnering.

De blokjes proberen te ontsnappen
door het met zonlicht gevulde keukenraam.
Tussen mijn warme vingers weg te glijden.
Maar ik houd ze stevig vast
en voel de mousse tegen m’n vingers aan.

Geen kant kunnen ze op. Alleen richting m’n mond.
Zodra ze op m’n tong vallen, proef ik wat ik al rook:
zoet, zacht, zalig.
Alarmrood verliest het in stralend wit van smeltend bruin
tot het op is.

Wereldoma’s

Mijn ene oma woont ver weg
Met de auto of de trein
rij ik naar haar toe
Onderweg zie ik
De grijze lucht
De zon
De schapen
Een boerderij
De ene week bezoek ik haar
De andere week bezoekt ze mij

Mijn andere oma woont vlakbij
We kletsen elke dag
De oren van elkaars hoofd
Handkusjes
Luchtknuffels
Ruimtegrapjes
We eten samen
Maar eigenlijk allebei
Oma zit in papa’s telefoon
Elke avond belt ze mij