Enige zomer

De zomer staat hier frank en vrij voor mij
te wachten op de plannen die nog komen.
Niet wetend welke weg ik neem naar Rome.
De vlinders die de tijd voor altijd zijn.

Op dagen die gedachten snoeren, schrijf
ik stiekeme gedichten van de bomen
die ritselend vertellen over dromen
waarin ik nooit alleen met mij verblijf.

Op de fictieve onbekende na
de zomer, die zelfs zonder mij vervloog.
De desillusie die ik gadesla.

Geen lijstjes afgevinkt in epiloog.
Geen tango in het dagboek in de la.
Geen ene Don Juan die mij bedroog.

Pompoensoep

Het aanrecht komt iets dichterbij door
de grote kruk waarop ik zit. Mijn moeder kookt
pompoensoep, zachtjes neuriet ze warme herfst
door de oranje keuken. Kachel opgestookt.

De zoete geur verlaat de keuken maar
ik wil dat dit voor altijd blijft bestaan.
Ik – tussen mijn broers – op ’t bankje aan tafel
Besef dat het niet lang meer zo zal gaan.

Een ui, een peen, een snufje zout, pompoen.
De schil hoeft er niet af, de kook maakt ’m zacht.
Twintig minuten roeren dan even stampen.
’t Oranje feest is klaar terwijl je wacht.

Vandaag roer ik de pan met dikke soep.
Gevlekt recept van moeder bij de hand.
Mijn keuken geurt nu zachte melodietjes
en ik ben in m’n eigen herfst beland.

Meer dan twintig kleine blokjes

In het donker in de keukenla ligt een cadeau.
Trek ik ’m open, verschijnt het in alarmrood pakpapier
dat afsteekt tegen het oogverblindende keukenwit
Zo’n pakje laat je niet liggen,
ook al deed ik niks om voor te worden beloond.

Mijn vinger glijdt over het papier, zzzzier.
Knisperend krakend als ik het openscheur.
Meer dan twintig blote, bruine blokjes aan mij tentoongesteld.
Een doffe plof als ik er twee afbreek.

De zoete geur vult mijn neus met herinnering.

De blokjes proberen te ontsnappen
door het met zonlicht gevulde keukenraam.
Tussen mijn warme vingers weg te glijden.
Maar ik houd ze stevig vast
en voel de mousse tegen m’n vingers aan.

Geen kant kunnen ze op. Alleen richting m’n mond.
Zodra ze op m’n tong vallen, proef ik wat ik al rook:
zoet, zacht, zalig.
Alarmrood verliest het in stralend wit van smeltend bruin
tot het op is.

Wereldoma’s

Mijn ene oma woont ver weg
Met de auto of de trein
rij ik naar haar toe
Onderweg zie ik
De grijze lucht
De zon
De schapen
Een boerderij
De ene week bezoek ik haar
De andere week bezoekt ze mij

Mijn andere oma woont vlakbij
We kletsen elke dag
De oren van elkaars hoofd
Handkusjes
Luchtknuffels
Ruimtegrapjes
We eten samen
Maar eigenlijk allebei
Oma zit in papa’s telefoon
Elke avond belt ze mij