Natuurgeweld – fragment

Het is pikkedonker op het dek. Ik word wakker van het tropische geraas dat zich buiten deze boot op de zee in Indonesië afspeelt. Of van het gebraak dat ik op zo’n twee meter afstand naast me hoor. Aan de andere kant naast me ligt Dani. Godzijdank. De golven duwen ons de lucht in. En als we op het hoogste puntje zijn, worden we met een noodvaart op het water gesmeten. Ik steun op m’n ellenbogen en kijk wat beter om me heen. Hoewel ik inmiddels gewend ben aan het donker zie ik niet veel door het gezwaai en gewiebel. Ik kan me niet op één punt focussen. Toch probeer ik te tellen. Zijn we er alle veertien nog? Het lukt me niet goed. Ik laat het voor wat het is. Kan er nu toch niets aan doen. Ik zie twee gedaantes bewegen. Ze kruipen moeizaam tegen de bewegingen van de boot op. Op weg naar een plek waar ze zonder een ander te storen over de reling kunnen kotsen.
Langzaam maar zeker word ook ik steeds misselijker. Ik kijk over het hekje van het dek. Een minuscuul hekje in vergelijking met het enorme natuurgeweld dat zich erachter afspeelt. De zee probeert ons in te slikken. Met z’n grote, grove klauwen probeert-ie ons te pakken en in z’n gigantische, donkerblauwe mond te stoppen. Druppels springen over de rand. Als waarschuwing voor wat komen gaat? Ze spatten in m’n gezicht. Zout. Dani, die aan de buitenkant ligt, wordt echt nat. En wakker. “Wat is er?” vraagt hij me. Hij ziet de angst van m’n gezicht af druipen. Ik wijs naar het hekje. En vooral naar wat daar achter gebeurt. We horen gekraak en nu kijkt hij ook bang. Hij pakt m’n hand en knijpt erin. Niet een zacht bemoedigend kneepje, maar een die hoopt dat ik zelfverzekerd terug knijp. Dat gaat alleen niet.
Ik zie de sterren, het water, de sterren, het water, de sterren… Snel knijp ik m’n ogen dicht. Ik wens dat ik hier niet ben. Wij hier niet zijn. De boot rilt als een rietje. Het lijkt alsof-ie de angst van alle passagiers in zich op zuigt en de enige is die eraan toe durft te geven. Niemand probeert boven het geruis en geklots uit te schreeuwen. Hoe lang houdt deze boot het uit? Hoe lang houden wij het nog uit?

Advertenties

Pompoensoep

Het aanrecht komt iets dichterbij door
de grote kruk waarop ik zit. Mijn moeder kookt
pompoensoep, zachtjes neuriet ze warme herfst
door de oranje keuken. Kachel opgestookt.

De zoete geur verlaat de keuken maar
ik wil dat dit voor altijd blijft bestaan.
Ik – tussen mijn broers – op ’t bankje aan tafel
Besef dat het niet lang meer zo zal gaan.

Een ui, een peen, een snufje zout, pompoen.
De schil hoeft er niet af, de kook maakt ’m zacht.
Twintig minuten roeren dan even stampen.
’t Oranje feest is klaar terwijl je wacht.

Vandaag roer ik de pan met dikke soep.
Gevlekt recept van moeder bij de hand.
Mijn keuken geurt nu zachte melodietjes
en ik ben in m’n eigen herfst beland.