Eendagsvlieg

“Dit succes is ongekend Hanna, we moeten hier meer mee doen. Veel meer! Stuur me voor het nieuwe jaar een paar hoofdstukken van je nieuwe roman. Je hebt al wel een idee toch? Dan kunnen we het derde kwartaal van 2015 nog een nieuw boek uitgeven. Dit is je kans om écht door te breken. Om meer te zijn dan een eendagsvlieg.” Eendagsvlieg. Een.dags.vlieg. Het woord galmt na in Hanna’s hoofd.
Eendagsvlieg: Haften of eendagsvliegen (orde Ephemeroptera) zijn ranke insecten met een teer lichaam, twee paar vleugels, grote ogen, korte borstelachtige antennes en lange staartdraden. Dat stond er op Wikipedia. Hanna loopt naar haar slaapkamer en gaat voor haar passpiegel staan. “Hoe zouden ze mij omschrijven?” Ze draait zich om zodat ze en profil naar zichzelf kan kijken. Ze neemt diep adem en drukt haar buik zo ver mogelijk naar buiten. Ze blijft een plank. Geen billen, geen borsten en ook geen buik. Is dit rank en teer? Ze probeert nog wat houdingen om haar spiegelbeeld zo dik mogelijk te laten lijken, maar het mag niet baten. Nu houdt ze haar armen in twee bogen achter haar rug. Niet omdat ze het geaccepteerd heeft, maar omdat ze het gewoon even wil proberen. Haar borst komt vooruit en de puntjes van haar vingers drukken zachtjes tegen haar onderrug. Nu lijken haar armen net twee vleugels. Ze kijkt zichzelf met grote ogen aan. Hoe langer ze kijkt hoe beter de gelijkenis wordt. Dian, haar uitgeefster, heeft gelijk. Ze is een eendagsvlieg. Een eendagsvlieg en niets meer, denkt Hanna.
Snel gaat ze terug naar haar computer. De enige manier om onder dit afschuwelijke lot uit te komen, is weten wat een eendagsvlieg is. Wát is zijn gedrag? Waar bevindt-ie zich? De vragen vloeien als vanzelf uit elkaar voort. Onvolwassen eendagsvliegen (Nimfen) leven in water. Hanna leest het hardop en het klinkt als een antwoord. Niet meer douchen. Niet meer douchen tot het boek af is. Dát is het. Niet meer douchen en heel veel eten. Zodat ze nooit meer rank en teer hoeft te zijn. En dan valt haar oog op die ene zin. Eendagsvliegen hebben geen mond. Die hebben ze niet nodig omdat ze maar enkele uren tot een paar dagen leven. Hanna rent terug naar de spiegel. Ze opent haar mond en sluit ’m weer. Ze opent ’m nog een keer, heel wijd nu. Ze telt haar tanden en kiezen. Ze heeft tanden en kiezen. Twaalf tanden, zestien kiezen. Geen verstandskiezen, die heeft ze vorig jaar laten trekken. Twee lippen. Ze tuit ze. Nu lijkt ze eigenlijk meer op een mug. Een prikmug met zo’n mondje. Een mondje dús geen eendagsvlieg. Wat een opluchting! Hanna rent terug naar haar computer. Ze opent een word-document. GEEN EENDAGSVLIEG schrijft ze op. Voor de zekerheid zal ze voorlopig ook niet meer douchen. Aan haar ligt het niet meer. Ze kan eindelijk verder.

Jasper en de wolf

“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” het is de enige vraag die me wordt gesteld. Wel vaak. Op verschillende manieren maar altijd met dezelfde boodschap. Ik antwoord niet, laat mijn schouders nog verder zakken en probeer oogcontact te maken met de volgende voorbijganger.
Zes jaar geleden vond Wolf me. Ik lag onder een deken van bladeren op een doos in het donkerste hoekje van het stadspark. Hij snuffelde aan de bladeren, ik vond het eng. Een jaar daarvoor, toen het nog kouder was, was er ook een hond naar me toe gekomen. Bijna net zo groot als Wolf, maar zonder zijn mooie, lange, grijs-blonde haren. Dat beest beet me in m’n enkel. Ik moest er vijf weken van herstellen. Maar dat mocht natuurlijk niet in het ziekenhuis. Dus liep ik mank over straat. Doet niet veel goeds voor je reputatie kan ik je vertellen. Dus je kunt je voorstellen dat ik lag te rillen toen ik hoorde hoe Wolfs neus de bladeren opzij woelde. Hij snuffelde aan me toen hij me vond en ging daarna direct tegen me aanliggen. Mijn getril was over. Ik kon me niet meer herinneren wanneer ik voor het laatst zoveel warmte van een levend wezen had gevoeld.
“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” het is de vraag die mensen stellen die het antwoord niet willen weten. Mensen die willen dat ik niet besta. Ze vinden Wolf zielig en mij een domme dierenbeul. Ik weet niet of anderen het kennen. Dat mensen naar je kijken maar je niet zien. Ze zien je kleren, proberen je te ruiken of juist niet, ze kijken naar je haar, de kleur van je huid, maar wat er achter die huid zit, dat zien ze niet. En dat willen ze ook niet zien. Nooit heeft iemand mij gevraagd: “Wat is er gebeurd?”
Alleen kinderen zien ons. Dat komt door Wolf. Gister liepen we samen over de grote markt. Wolf voorop. Een jongetje van ongeveer vijf jaar liep ons tegemoet. Toen hij ons passeerde vroeg hij zijn moeder, die ons niet aankeek: “Mam, waarom heeft die meneer een halsband om en niet de hond?” “Nou Daan, niet van die rare vragen stellen. Natuurlijk heeft die man geen halsband om.” antwoordde ze terwijl ze ons met ingehouden adem voorbij liep. Het jongetje liep niet mee. “Hoi hondje!” Hij hield Wolf, die bijna net zo groot is als hij zelf, staande. Aaide zijn zachte vacht. “Hoe heet hij?” “Wolf”, antwoordde ik. Ik keek hoe het jongetje Wolf bewonderde. Hij voelde in z’n hals. Al snel werd me duidelijk waarom. “Hij heeft echt geen halsband om. Hoe blijft hij dan bij jou?” Dat heb ik me ook weleens afgevraagd. “Wolf wil denk ik gewoon bij mij zijn. Hij gaat nooit ergens heen zonder mij.” Het jongetje staart me aan. Bijna net zo uitvoerig als hij Wolf aankeek, keek hij mij nu aan. Ik wiebelde van m’n ene been op het andere. “Waarom heb jij een halsband om?” Hij wees naar het touw met het bordje om m’n nek. “Daarop staat dat ik geld wil voor Wolf en mij.” Het jongetje snapte het niet. “Waarvoor dan? Ben je aan het sparen?” Ik keek hem aan. Wilde hem iets anders vertellen. Maar toen mijn ouders scheidden heb ik mezelf beloofd nooit tegen een kind te liegen. “Voor eten.” “Daan, Daantje, kom je nou?” Het jongetje keek op. Zijn moeder stond verderop naar hem te roepen. Hij keek weer naar ons. “Gelukkig heb je wel een hond. En Wolf heeft een mens,” grinnikt hij erachteraan. “Doei!” Hij draaide zich om en rende naar z’n moeder.
“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” Ik ben niet arm. Ik heb een hond.

Het verhaal van de pompoen

Hendrik van Brink staart uit het raam. Hij zit in zijn geïmproviseerde kantoortje met uitzicht over zijn tuin. Naast hem ligt de buit: een knaloranje, gigantische pompoen. Tien minuten geleden stond hij er nog aan te roppen en te trekken. Hij liet zich niet zo gemakkelijk vangen, die pompoen. En de reuma die Hendrik deze tijd van het jaar in de weg zit, maakte de strijd ook niet makkelijker.

Maar nu ligt de pompoen naast Hendrik en hij heeft er een perfecte bestemming voor: Naarden. Het meisje dat hij aan de telefoon had gehad, klonk erg aardig. Ze was opgewekt en nam de tijd voor een  praatje met hem. Hij heeft niet het idee dat ze begreep wat hij precies wilde opsturen, maar dat maakte niet uit. Een kletspraatje is altijd fijn als je erom verlegen zit. Het meisje is waarschijnlijk nog jong en heeft mensen zat om mee te kletsen. Maar hij als oude man zegt soms dagen niets. Dan is het ineens acht uur ’s avonds en dan bedenkt hij zich dat hij nog niks heeft gezegd. Tegen niemand. Want er is niemand die naar hem toe is gekomen en er is niemand die op een bezoekje van hem zit te wachten. Daarom is het altijd even fijn om iemand aan de telefoon te hebben die de tijd maakt voor hem.

De pompoen lacht naar hem. Hendrik tikt een receptje uit van zijn favoriete soep, pompoensoep, en dat doet hij bij de rest van de informatie die hij naar haar verstuurt. Niet alleen informatie over zijn eigen werkzaamheden, maar vooral ook over andere bedrijven. Goede doelen. Hij wil overkomen als een man die betrokken is bij de wereld. Die anderen helpt, zonder dat hij daar zelf beter van wordt. Zijn printer werkt niet zo goed meer en zijn computer is ook wat aan de oude kant, dus de informatie over het goede doel is niet zo goed te lezen, maar het gaat om het idee. Voor de zekerheid schrijft hij met pen nog even het adres van de organisatie op het papier. Dan ziet ze in elk geval dat hij moeite heeft gedaan. Nu nog zijn eigen visitekaartjes erbij en de papieren zijn weer in orde. Nu nog de spullen.

Van de hooizolder, waar allang geen hooi meer ligt, haalt Hendrik een paar boeken. Onderweg vindt hij nog een paar vergeten schoenen. Zo vergeten dat hij geen idee meer heeft van wie die ooit waren. Ook die neemt hij mee naar beneden. Naast zijn computer ligt nog een oude internetkabel. Wat hij daarmee moet weet hij nog steeds niet zo goed. Meer internet dat het internet dat hij heeft, heeft hij toch niet nodig? Hij doet de kabel bij de andere spullen. Zorgvuldig stopt hij alles in een doos. De pompoen onderop. Dat is tenslotte de verrassing. Bovenop legt hij alle informatie. Nu alleen nog een kort briefje erbij en de spullen kunnen weer op de post.

Sinds een poosje verdiept Hendrik zich in oude postzegels. Een gekke hobby, zou je zeggen, voor iemand die drie jaar geleden is wegbezuinigd bij een postbedrijf. Maar niets is minder waar. Door de mazen der wet kruipen kan Hendrik sinds zijn ontdekking als geen ander. Oude postzegels, maar net niet oud genoeg, zijn namelijk spotgoedkoop op internet te krijgen. En wat Hendrik nog weet van vroeger, is dat de postmachines die zegels niet afstempelen. Dat moet een mensenhand doen. Maar die is wegbezuinigd. Dus geen mensenhand die nog stempelt. En zo is Hendrik met zijn eigen bedrijfje, zijn oude werkgever te slim af. Hij vraagt maar drie euro per pakket. Terwijl dat bij de post toch al snel zes vijftig kost. Toen hij zijn eerste pakket verstuurde, en de zegels teruggestuurd kreeg, begon zijn zon weer wat te schijnen. Há. Dit pakt niemand mij nog af.

Hendrik zoekt nu zelf zijn klanten uit. Het meisje uit Naarden, zag hij op de snelweg rijden. Ze had een simpel webadres dat hij zelfs met z’n oude hersenen gemakkelijk kon onthouden. Hij tikte het in zodra hij thuis was en gelukkig stond er op haar website een telefoonnummer. Nu verstuurt hij haar een pakketje waarvoor hij maar drie euro vraagt mét verrassingspompoen.

Drie dagen later komt Hendrik thuis van het boodschappen doen. Hij ziet een briefje op tafel liggen. Het is van zijn dochter Sjoukje, ze kwam precies langs toen hij er niet was. Daar lijkt ze een talent voor te hebben. Het briefje zegt: “Anne heeft je pakketje ontvangen, pa. Ik ben weer weg, tot snel, liefs Sjouk.” Verdorie. Nu heeft zij het meisje aan de telefoon gehad. Hij voelt een vlaag van jaloezie over zich heen trekken. En teleurstelling, want hij had Sjoukje ook graag even gezien. Het lijkt wel of ze de laatste tijd alleen langskomt als hij er niet is. De briefjes stapelen zich op terwijl hij zich amper haar haarkleur kan herinneren. Het is vandaag woensdag. Volleybal-dag voor Sjouk, dus kan hij haar vanavond niet bellen.

In Naarden ligt een pakketje. Op nummer 17, terwijl Anne op nummer 10 woont. Met tegenzin belt ze aan. Deels omdat ze de buren niet kent en deels omdat ze weet dat ze de oude man moet bellen zodra ze het pakket heeft ontvangen. De buurvrouw die na een minuut opendoet, heeft ze nog nooit eerder gezien. Het pakket is loodzwaar en omdat ze zwanger is, tilt ze het niet verder dan haar eigen gang. Zo, die neemt haar man straks maar mee naar boven.

’s Avonds, als hij thuiskomt, neemt haar man het pakketje inderdaad mee naar boven. Het is ook voor hem eigenlijk. Want die website op hun auto, is zijn website. Met haar telefoonnummer, want zij doet de administratie. Ze is niet zo dol op bellen. Wat een geluk dat de oude man niet zelf de telefoon opnam toen ze hem belde. Haar man maakt het pakket open en grinnikt verbaasd: “Er zit een pompoen in!” En wat voor één! Het is een megading.

De volgende dag rijden Anne en haar man samen naar Haarlem. Achterin hun auto liggen twee kwarten van de pompoen van Hendrik. Ze zijn op weg naar hun vriendin, die die dag haar tweede chemo krijgt. Vitaminen zijn er om gedeeld te worden, zeker met een vriendin die kanker heeft. Nog voordat ze elkaar zoenen, geven ze de pompoen aan de vriendin en aan haar zus. Die ook wel wat lekkers kan gebruiken. De andere helft ligt in hun eigen koelkast in Naarden.

Op internet zoekt de zus van de vriendin van Anne een recept voor pompoentaart. Die bakt ze voor de werkloze vrouwen waarmee ze vrijwillig gaat knutselen. Vandaag knutselen ze ansichtkaartjes. Twintig vrouwen komen er en ieder nemen ze een hapje van de pompoen van Hendrik. Ze genieten er enorm van.

Verderop in de straat, staat de pompoen al op het vuur. Er wordt pompoensoep van gemaakt. Met ui, knoflook, een bouillonblokje en wat gember. Het lijkt wel wat op het recept van Hendrik. Alleen heeft de vriendin dat recept nooit gekregen, dus daar weet ze niets vanaf. De soep is bijna klaar en de vriendin roostert nog wat pijnboompitjes voor erin. Ze heeft  drie van haar vrienden uitgenodigd om bij haar en haar vriend te komen eten.

In Naarden staat de oven aan. Met daarin biologische lamskoteletten, zoete én gewone aardappels en de pompoen van Hendrik. Alles besprenkeld met wat zout, peper en rozemarijn. De ouders van Anne en haar buurmeisje zitten alvast met een rood wijntje aan tafel. Klaar voor het diner.

In Ens is het koud. Hendrik heeft geprobeerd het meisje te bellen. Om te vragen wat ze van de verrassingspompoen vindt. Maar ze neemt de telefoon niet op. Al twee dagen niet. Gister had hij geprobeerd haar te bellen, nadat hij het briefje van zijn dochter had gevonden. En vanavond probeerde hij het weer. Nog teleurgestelder dan gisteren zoekt hij om acht uur al zijn bed op. Wat een afschuwelijke dag. Wat Hendrik nog niet weet is dat er een brief naar hem onderweg is. Met daarin de hartverwarmende tekst van een meisje dat niet van bellen houdt.

Beste meneer Hendrik,

Dank u voor de heerlijke pompoen. Hoe wist u dat we daar zo dol op zijn? Ik zal iedereen vertellen over uw bedrijf en de pompoen wordt op dit moment door zo’n dertig mensen gegeten. Namens iedereen ontzettend bedankt voor het verwarmen van de avond.

Tot schrijfs, en dat zonder afgestempelde zegels.

Groeten,

Anne

Drie dagen later brengt Sjoukje een bezoekje aan haar vader. Ze moet over een berg post heen stappen om binnen te komen. Normaal gesproken heeft haar vader nooit zo veel post. Op de kaartjes staan bedankjes. Voor de pompoen, voor de warmte die haar vader heeft verstuurd. Er zit zelfs een brief bij. Helaas zal Hendrik het nooit te weten komen. Hij stierf tijdens een koude nacht aan eenzaamheid.