Jasper en de wolf

“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” het is de enige vraag die me wordt gesteld. Wel vaak. Op verschillende manieren maar altijd met dezelfde boodschap. Ik antwoord niet, laat mijn schouders nog verder zakken en probeer oogcontact te maken met de volgende voorbijganger.
Zes jaar geleden vond Wolf me. Ik lag onder een deken van bladeren op een doos in het donkerste hoekje van het stadspark. Hij snuffelde aan de bladeren, ik vond het eng. Een jaar daarvoor, toen het nog kouder was, was er ook een hond naar me toe gekomen. Bijna net zo groot als Wolf, maar zonder zijn mooie, lange, grijs-blonde haren. Dat beest beet me in m’n enkel. Ik moest er vijf weken van herstellen. Maar dat mocht natuurlijk niet in het ziekenhuis. Dus liep ik mank over straat. Doet niet veel goeds voor je reputatie kan ik je vertellen. Dus je kunt je voorstellen dat ik lag te rillen toen ik hoorde hoe Wolfs neus de bladeren opzij woelde. Hij snuffelde aan me toen hij me vond en ging daarna direct tegen me aanliggen. Mijn getril was over. Ik kon me niet meer herinneren wanneer ik voor het laatst zoveel warmte van een levend wezen had gevoeld.
“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” het is de vraag die mensen stellen die het antwoord niet willen weten. Mensen die willen dat ik niet besta. Ze vinden Wolf zielig en mij een domme dierenbeul. Ik weet niet of anderen het kennen. Dat mensen naar je kijken maar je niet zien. Ze zien je kleren, proberen je te ruiken of juist niet, ze kijken naar je haar, de kleur van je huid, maar wat er achter die huid zit, dat zien ze niet. En dat willen ze ook niet zien. Nooit heeft iemand mij gevraagd: “Wat is er gebeurd?”
Alleen kinderen zien ons. Dat komt door Wolf. Gister liepen we samen over de grote markt. Wolf voorop. Een jongetje van ongeveer vijf jaar liep ons tegemoet. Toen hij ons passeerde vroeg hij zijn moeder, die ons niet aankeek: “Mam, waarom heeft die meneer een halsband om en niet de hond?” “Nou Daan, niet van die rare vragen stellen. Natuurlijk heeft die man geen halsband om.” antwoordde ze terwijl ze ons met ingehouden adem voorbij liep. Het jongetje liep niet mee. “Hoi hondje!” Hij hield Wolf, die bijna net zo groot is als hij zelf, staande. Aaide zijn zachte vacht. “Hoe heet hij?” “Wolf”, antwoordde ik. Ik keek hoe het jongetje Wolf bewonderde. Hij voelde in z’n hals. Al snel werd me duidelijk waarom. “Hij heeft echt geen halsband om. Hoe blijft hij dan bij jou?” Dat heb ik me ook weleens afgevraagd. “Wolf wil denk ik gewoon bij mij zijn. Hij gaat nooit ergens heen zonder mij.” Het jongetje staart me aan. Bijna net zo uitvoerig als hij Wolf aankeek, keek hij mij nu aan. Ik wiebelde van m’n ene been op het andere. “Waarom heb jij een halsband om?” Hij wees naar het touw met het bordje om m’n nek. “Daarop staat dat ik geld wil voor Wolf en mij.” Het jongetje snapte het niet. “Waarvoor dan? Ben je aan het sparen?” Ik keek hem aan. Wilde hem iets anders vertellen. Maar toen mijn ouders scheidden heb ik mezelf beloofd nooit tegen een kind te liegen. “Voor eten.” “Daan, Daantje, kom je nou?” Het jongetje keek op. Zijn moeder stond verderop naar hem te roepen. Hij keek weer naar ons. “Gelukkig heb je wel een hond. En Wolf heeft een mens,” grinnikt hij erachteraan. “Doei!” Hij draaide zich om en rende naar z’n moeder.
“Als je zo arm bent, waarom heb je dan een hond?” Ik ben niet arm. Ik heb een hond.